088.
Bijbelstudie over de
VRUCHT VAN DE WIJNSTOK - P’RI HAGEFEN
]pgh yrp
In de vorige Bijbelstudie
behandelden wij de ware Wijnstok, deze keer zullen wij de vrucht van de
wijnstok nader bekijken. Want de B’racha [zegenspreuk]
hierover luidt namelijk als volgt:
.]pgh yrp arvb ,lvih ;lm vnyhla yy hta ;vrb Baruch Ata Adonai, Eloheinu, Melech haOlam, bore p’ri
haGafen! [Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G’d, Koning van het heelal,
Gij die de vrucht van de wijnstok hebt geschapen!]. Wat wordt daarmee
bedoeld? Wat is de vrucht van de wijnstok? Druiven natuurlijk! De B’racha voor druiven is echter …bore p’ri haEtz! […Gij die de vrucht van de boom hebt
geschapen!]. Dus is de eerstgenoemde zegenspreuk niet voor de druiven zelf
bestemd, maar voor een product van de druiven. Nogmaals de vraag: wat wordt
daarmee bedoeld? Wijn of druivensap of soms allebei? Maar is dat voor ons
eigenlijk wel belangrijk om een antwoord op deze vraag te krijgen? Maakt het
voor ons wel iets uit? Ja, het is belangrijk en het maakt voor ons zeer zeker
iets uit! Het is namelijk een groot verschil of men voor een heilige handeling
wijn of druivensap gebruikt. Een heel actueel voorbeeld is namelijk het Heilig
Avondmaal in talrijke kerken en vrije groepen, waar in plaats van wijn
druivensap uitgedeeld wordt, omdat men rekening houdt met mensen die problemen
hebben met alcohol. Voor andere kerken is het Avondmaal
zonder wijn daarentegen ondenkbaar. Deze beide meningen staan lijnrecht
tegenover elkaar: wijn of druivensap in de avondmaalsbeker tijdens de
kerkdienst - deze strijdvraag heeft zelfs tot kerksplitsingen geleid en bracht
niet lang geleden in Duitsland ook verdeeldheid tussen de Schönberger
Kirchgemeinde en de Landeskirche Mecklenburg. Zo wordt het Avondmaal dus in
sommige kerkgemeenten niet met wijn, maar met druivensap gevierd, terwijl
andere kerken van mening zijn dat dit helemaal geen Avondmaal meer zou zijn,
omdat het in strijd zou zijn met de oorspronkelijke inzetting van Yeshua. Klopt dat? Persoonlijk
ben ook ik deze mening toegedaan. Alleen maar omdat men rekening wil houden met
enkele alcoholisten of ex-alcoholisten mag men de oorspronkelijke inzetting
toch niet zonder meer veranderen. Gezien het feit dat Yeshua de grondlegger is
van het Heilig Avondmaal, heeft de Kerk zich daaraan te houden hoe Hij het wil
dat het gevierd moet worden en geen mens heeft het recht om Zijn wil daaromtrent
te minachten en iets anders te doen dan hetgeen Hijzelf heeft voorgeschreven.
En dan ook nog in Zijn naam! Bovendien gaat het ook om de zekerheid ook daadwerkelijk
de Se’udat haAdon [de maaltijd des Heren] te vieren en niet slechts een slap aftreksel
daarvan. Gemeenten die in plaats van de wijn druivensap voor het Avondmaal
nemen, zouden dit derhalve slechts dan mogen doen indien Zijn
instellingswoorden dit taalkundig en inhoudelijk zouden toestaan. Maar is dit
nu daadwerkelijk het geval? Hoe luidt deze instelling precies en welke woorden
heeft Yeshua
daarbij gebruikt? Laten we het even opzoeken. Wij vinden het in de drie
synoptische evangeliën en de eerste Korinthenbrief. Daar
staat het volgende (NBV): “En Hij nam een
beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: Drink allen
hieruit, dit is Mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt
vergoten tot vergeving van zonden. Ik zeg jullie: vanaf vandaag zal Ik niet
meer van de vrucht van de wijnstok
drinken tot de dag komt dat Ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het
koninkrijk van Mijn Vader.” (vhyttm Matit’yahu [Mattheüs] 26:27-29. “En Hij nam een
beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij
zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen
vergoten wordt. Ik verzeker jullie: Ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat Ik er opnieuw
van zal drinken in het koninkrijk van G’d.” (Marcus 14:23-25). “Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit
en zei: Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. Want Ik zeg jullie: vanaf
nu zal Ik niet meer drinken van de
vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van G’d gekomen is. - Zo nam Hij
na de maaltijd ook de beker, en zei: Deze beker, die voor jullie wordt
uitgegoten, is het Nieuwe Verbond dat door Mijn bloed gesloten wordt.”
(Lucas 22:17,18 en 20). “Zo nam Hij na de maaltijd ook de beker, en Hij
zei: Deze beker is het Nieuwe Verbond dat door Mijn bloed gesloten wordt. Doe
dit, telkens als jullie hieruit drinken, om Mij te gedenken.” (1
Korinthiërs 11:25). Voorstanders van het druivensapavondmaal wijzen erop, dat Yeshua op de avond, waarop Hij het Heilig Avondmaal heeft
ingesteld, naar het getuigenis van de hier geciteerde teksten het woord “wijn”
helemaal niet gebruikt heeft. Hij sprak slechts over de “vrucht van de
wijnstok” - en dat, zo beargumenteert men, zou naar de woordelijke inhoud ook
druivensap kunnen zijn. Deze uitleg is echter verkeerd en ik zal u ook
uitleggen waarom. Weet u, er worden zoals gezegd heel wat argumenten voor of
tegen het "druivensapavondmaal" naar voren gebracht. In de Nederlandse
taal klinkt de uitdrukking “vrucht van de wijnstok” inderdaad veel meer
onbepaald dan in het Hebreeuws en zou derhalve op alle producten van de wijnstok
toegepast kunnen worden. In de Joodse wereld, waarin Yeshua als Zoon van een
joodse moeder opgegroeid is, hebben de Hebreeuwse woorden ]pgh yrp p’ri haGefen echter een
buitengewoon precies vastgelegde betekenis. Niet-joodse, christelijke voorstanders
maar ook tegenstanders van het druivensapavondmaal hebben echter één ding
gemeenschappelijk: omdat ze allebei over geen of slechts ontoereikende kennis
van het Jodendom beschikken is het voor hun niet duidelijk wat deze typisch
Joodse uitdrukking “vrucht van de wijnstok” precies betekent, die elke Jood ook
wekelijks op Shabat [sabbat] bij de Qidush [kiddoesj] zegt om de wijn te zegenen. Omdat dit in christelijke
kringen weinig bekend is, wil ik u graag het een en ander over meedelen. Met de
woorden “vrucht van de wijnstok” gebruikte Yeshua namelijk een zegswijze die in het Jodendom heel
gebruikelijk is en bedoelde daarmee vanzelfsprekend de drinkklare wijn en elke
Jood weet dat daarmee druivensap, wijnazijn of most buitengesloten zijn op
grond van de beslissingen die de rabbijnen in de eerste eeuw van de gewone
tijdrekening hebben genomen en in de Mishna en de Tosefta overgeleverd zijn: “Hoe
spreekt men de zegen over vruchten uit? Over boomvruchten zegt men: ‘Geprezen
zijt Gij, Eeuwige onze G’d, Koning van het heelal, die de vrucht van de boom
hebt geschapen’, met uitzondering van de wijn, want over wijn zegt men: ‘…die
de vrucht van de wijnstok hebt geschapen!’” (Mishna tvkrb B’rachot 6,1). Hierin wordt duidelijk gemaakt, dat “vrucht van de
wijnstok een heel nauwkeurige omschrijving voor de wijn is en voor niets
anders. Rabbi Eliezer Ben Hyrkanos (ca. 90 n.Chr.) weigerde echter zelfs om de uitdrukking “vrucht
van de wijnstok” op de nog niet (zoals toen gebruikelijk) met water gemengde
wijn toe te passen, hoewel er zonder twijfel reeds sprake was van wijn en niet
van druivensap! Alleen de wijn die klaar was om te drinken, d.w.z. met water
gemengde wijn verdiende naar zijn opvatting deze omschrijving. In toenmalige
tijden schijnt de wijn namelijk veel sterker geweest te zijn dan de huidige en
zo zijn er een aantal voorschriften in de Mishna, waarnaar de wijn met water gemengd moest worden,
gewoonlijk twee delen water op één deel wijn. Daarom heeft Rabbi Eliezer gezegd: “Over de ruwe wijn spreekt men de lofspreuk:
‘…die de vrucht van de boom geschapen hebt!’ Heeft men echter water bij de wijn
gedaan, dan zegt men over hem de lofspreuk: ‘…die de vrucht van de wijnstok
geschapen hebt!’” (Tosefta tvkrb B’rachot 4,3). De meerderheid
van de rabbijnen in zijn tijd heeft deze strenge uitleg niet aanvaard en gaf
toestemming om in de zegenspreuk de woorden “vrucht van de wijnstok” ook toe te
passen op de wijn die niet met water gemengd was, maar in geen geval voor
andere producten van de wijnstok. Avraham Roos schreef op 19 Tamuz 5762 (29/6/2002) in zijn commentaar op de Parasha Pinchas: “Het
is interessant op te merken dat de b’racha over de wijn eindigt in ‘Bore
p’ri haGafen’, wat betekent:
‘Schepper van de vrucht van de wijnstok’. Wij prijzen G’d dus als
schepper van de druiven, niet als schepper van de wijn daar het de mens is die
de wijn gemaakt heeft. Over druiven zelf zeggen we de b’racha voor
vruchten van de boom ‘Bore p’ri haEtz’. Door de b’racha ‘Bore p’ri haGafen’ te gebruiken benadrukken wij de samenwerking
tussen G’d en de mens bij het maken van de wijn.” Welke conclusie trekken wij
uit al dit? Dat Yeshua geen druivensap maar wijn voor het Avondmaal genomen heeft
en dat Hij door Zijn woorden, zoals ze hier opgeschreven staan, wijn, en ook echt alleen wijn hiertoe
opgedragen heeft. Dat blijkt niet alleen uit de uitdrukking “vrucht van de
wijnstok”, maar ook uit het tijdstip waarop en ter gelegenheid waarvan Yeshua het
Avondmaal heeft ingesteld.
Sedermaaltijd
Toen Yeshua het Avondmaal
instelde, deed Hij dit in het kader van het Joodse Paasfeest, in het Hebreeuws Pesach genoemd (Mt 26:17-30;
Mc 14:12-26 en Lc 22:7-23). Volgens deze drie synoptische evangeliën was het
Laatste Avondmaal een Sedermaal. Er werd dus wijn bij gedronken. Voor de viering van Pesach, d.w.z. voor de Sederavond, zijn reeds in
de Mishna niet
minder dan vier bekers wijn voorgeschreven (Mishna
,yxcp Pesachim 10,1). Het zijn
de vier verplichte bekers van de Pesach-Hagada, maar
vanzelfsprekend mag men bij de maaltijd desgewenst ook nog meer bekers wijn drinken,
hetgeen eveneens in de Mishna nadrukkelijk vermerkt is (Mishna
,yxcp Pesachim 10,2). Als iemand
niet veel wijn kan drinken, om welke reden ook, dan neemt hij op zijn minst een
slok uit de beker, die daarna weer opgevuld wordt. Gezien het feit dat Yeshua het Heilig Avondmaal
tijdens dit Pesachfeest ingesteld heeft dat doorgaans in de maand april
gevierd wordt, kon Hij daarvoor helemaal geen ongefermenteerde druivensap
genomen hebben, omdat er rond die tijd in Israel nog geen verse druivensap
verkrijgbaar was, want de wijnoogst is namelijk in het najaar en omdat ze toen
nog geen koelkasten hadden om de druivensap ongefermenteerd te houden, kon Hij
alleen maar gefermenteerde wijn genomen hebben. Door het hete klimaat was toen
elke druivensap gauw gefermenteerd, d.w.z. tot wijn geworden en een half jaar
na de wijnoogst was dan uiteraard ook geen ongefermenteerde druivensap meer
aanwezig. Omdat op het Pesachfeest derhalve alleen gefermenteerde wijn gedronken werd,
was in de beker die Yeshua met de woorden: „Drinkt
allen daaruit!“ aan Zijn talmidim [discipelen] gaf, dus echte wijn en geen druivensap. De rode wijn in de beide eerste
bekers is een herinnering aan het bloed van het Pesachlam, dat gestreken moest worden aan de deurposten, opdat de engel
des doods aan de huizen van de Israëlieten zou voorbijgaan. Maar met deze derde
beker zit het anders. De wijn uit deze beker is het teken van het bloed dat Yeshua, het Lam van G’d, moest vergieten
om volgens het voorschrift uit arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17:11 een waardig
offer te zijn: “Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u
op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed
bewerkt verzoening door middel van de ziel.” Daarom moet het ook wijn zijn
en geen druivensap, want de alcohol in de rode wijn symboliseert de ziel. Pure
alcohol is spiritus, en spiritus is de Latijnse naam voor geest, en geest staat
ook synoniem voor ziel omdat deze twee onzichtbare delen van een persoon los
van het lichaam een soort twee-eenheid vormen. Bovendien is ook in
Nederland de naam wijngeest niet onbekend. Zo is dus de rode wijn in de derde beker het teken van het
verzoenende bloed van Yeshua:
“En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide:
Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond, dat voor velen
vergoten wordt tot vergeving van zonden.” De zoete rode wijn
symboliseert het bloed van Yeshua, maar droge
rode wijn, witte wijn en druivensap daarentegen bezitten geen enkele
symbolische waarde omdat ze immers de belangrijkste overeenkomsten met bloed
missen: bloed is rood en daarom moet het rode wijn zijn en geen witte wijn; bloed
is zoet en daarom moet het zoete wijn zijn en geen droge wijn; bloed is de
zetel van de ziel. De ziel en de geest vormen in het Joodse denken waarin de
Bijbel geschreven is een onlosmakelijke éénheid en daarom moet er beslist alcohol
in de wijn zijn om de ziel en de geest te kunnen symboliseren. Druivensap bezit
geen alcohol en mist derhalve het meest essentiële onderdeel van het bloed van Yeshua: de ziel van Zijn vlees die in het bloed is,
want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel! En juist om de
verzoening door Zijn bloed gaat het bij het Avondmaal!!! Als men druivensap
gebruikt voor het Avondmaal, dan kan men net zo goed ook gezuurd brood uit de
supermarkt gebruiken omdat beiden geen enkele symbolische waarde bezitten! De symboliek is daarmee buiten werking gezet en dan kan men
de handeling op zich ook evengoed laten zitten en alleen nog maar puur
theoretisch uit de Bijbel voorlezen. Dat zou erg jammer zijn, want juist door
de symboliek leven toch bepaalde van ouds gebruikelijke rituelen en handelingen.
Bovendien zou men dan de nadrukkelijke bevel van Yeshua: „Doet dit, zo dikwijls gij
die drinkt, tot Mijn gedachtenis!“ negeren, met alle gevolgen van dien. Er bestaat dus historisch en cultureel
gezien geen enkele twijfel, dat Yeshua voor de Sedermaaltijd zoals elke Jood ongezuurde broden en echte wijn
gebruikt heeft.
Druivensap uit consideratie met
alcoholverslaafden
Maar zoals ik al bij het begin van deze studie schreef wordt in talrijke gemeenten druivensap in plaats van wijn uitgedeeld en als rechtvaardiging zegt men dan, dat bepaalde personen zoals bijvoorbeeld alcoholisten en mensen die om gezondheidsredenen geen alcohol mogen drinken, niet bij voorbaat door de wijn van het Avondmaal mogen worden buiten gesloten. Bovendien zou het niets uitmaken of er nou wijn of druivensap gedronken wordt, want in de „Kleine Katechismus“ staat een zinnetje over de doop, waarin gezegd wordt: „Het komt hierbij niet zozeer om het water aan“ en daarom komt het voor hen bij het Avondmaal ook niet om de wijn aan. Dit argument is echter de grootste onzin! Zoals een doop zonder water geen doop is, zo is het Avondmaal zonder wijn geen Avondmaal., want ook in de woestijn wordt met water gedoopt. Dat wordt toch ook niet door zand vervangen om daarmee het kostbare water te besparen. Een Avondmaal zonder wijn was voor de gelovigen door de eeuwen heen gewoon niet voorstelbaar, maar hedentendage neemt men dat niet meer zo nauw. Toch wie gaf de voorgangers van deze gemeenten het recht om nu te veranderen, wat bijna 2000 jaar lang als testament van onze Verlosser duidelijk begrepen werd? Ik verbaas me er steeds weer over dat dit uitgerekend voornamelijk in die gemeenten wordt gedaan, die van zichzelf beweren dat ze zo Bijbelgetrouw zijn en zogenaamd de allergrootste waarde hechten aan Schriftuurlijke nauwgezetheid. Dat juist zij de Shabat voor de zondag hebben ingeruild en de Tora als oudtestamentisch en voor hen niet als van toepassing beschouwen en daardoor G’ds geboden bewust niet naleven is al erg genoeg, maar dat ze nu ook nog een nieuwtestamentische opdracht van onze Heiland en Verlosser naar eigen goeddunken veranderen is werkelijk ongehoord. Wat Yeshua destijds uitdeelde en aan ons de opdracht gaf om het vandaag nog op dezelfde wijze te doen, was wijn en geen druivensap! Het kwam bij Hem niet eens in gedachten dat sommige van Zijn discipelen alcoholisten zouden kunnen zijn. Wijn was voor Yeshua en Zijn discipelen zeer zeker geen verslavingsmiddel, want Hij zou nooit een verslavingsmiddel als Zijn bloed benoemd hebben. Als de wijn in de avondmaalsbeker echter voor sommige gelovigen wel een verslavingsmiddel is, en dan ook nog het voor hen gevaarlijkste, dan zou degene zichzelf eerst maar eens moeten afvragen hoe het überhaupt met zijn geloof zit. Het is toch echt wel absurd dat uit consideratie met hem de zo ‚Bijbelgetrouwe’ gemeente liever collectief de wijn tegen druivensap inruilt in plaats van hem van zijn verslaving af te helpen en interessanterwijze hebben dezelfde verdedigers van de zogenaamde Schriftuurlijke nauwgezetheid nul probleem ermee, als hen in plaats van matzes eetpapier of zelfs zuurbrood wordt aangereikt. Maar sinds wanneer is er dan een volmacht om eetpapier of zuurbrood in plaats van matzes te gebruiken? Het veelgehoorde argument om druivensap te gebruiken omdat er misschien wel mensen in de gemeente zijn die een drankprobleem hebben druist dus regelrecht in tegen het Woord van G’d, dat juist duidelijk zegt: “Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 8:36), want als er inderdaad drankverslaafden zijn, dan moet men met hen bidden voor bevrijding, maar niet een Bijbelse opdracht zomaar veranderen omdat men deze mensen niet in verlegenheid wil brengen. In plaats van verslaafden in hun zwakheid tegemoet te komen met het vervangen van wijn door druivensap, zou men veeleer het welgemeende advies van Sha’ul [Paulus] in 1 Korinthiërs 11:27-29 ter harte moeten nemen: “Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt!” (NBG) “Daarom maakt iemand die op onwaardige wijze van het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer. Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt, want wie eet en drinkt maar niet beseft dat het om het lichaam van de Heer gaat, roept zijn veroordeling af over zichzelf!” (NBV). Wij behoren bij het Avondmaal brood te eten en wijn te drinken (en geen druivensap), omdat de Eeuwige zelf dat zo wil, want er staat geschreven: “Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft G’d dit reeds lang zo gewild!” (Prediker 9:7). In de Leidse vertaling staat het zelfs nog duidelijker: “Welaan, eet met vreugde uw brood en drink welgemoed uw wijn; want voorlang heeft het G’de behaagd dat gij dit doen zoudt” en in tvlipm Mifalot [Handelingen] 5:29 lezen wij: “Men moet G’d meer gehoorzamen dan de mensen!”
Negatief of positief?
De vraag
of men de wijn bij het Avondmaal door druivensap mag vervangen wordt de laatste
tijd steeds vaker vanuit vooropgezette meningen beantwoord en door degenen die
alcohol principieel afwijzen wordt de stelling voorgedragen, dat het woord
“wijn” in de Bijbel volgens hen twee betekenissen zou hebben, namelijk
druivensap (zonder alcohol) en druivenwijn (met alcohol). Uit de context waarin
de wijn vermeld staat zou dan zogenaamd blijken welke van de twee bedoeld zou
zijn. Met een concordantie zoekt men dan alle Bijbelteksten op waarin de wijn
genoemd wordt en afhankelijk van de inhoud worden deze teksten in twee groepen
verdeeld: goed en slecht. Al van tevoren wordt namelijk vooropgesteld, dat
alcohol in de Bijbel principieel als slecht wordt gezien en dat wil men dan bewijzen
met Bijbelteksten, waarin de wijn negatief beoordeeld wordt en men gaat er dan
automatisch van uit dat deze passages over alcoholhoudende wijn spreken en daaruit
volgend trekt men de conclusie, dat het in de andere Bijbelteksten, waarin de wijn
positief vermeld staat, alleen maar om alcoholvrij druivensap zou kunnen gaan. Deze
opvatting is echter verkeerd, want de Bijbel spreekt in al deze teksten, zowel
de negatieve alsook de positieve, uitsluitend over wijn en niet over druivensap.
Daarom zou ik nu graag even het Bijbelse begrip “wijn” willen analyseren. Het
Hebreeuwse woord voor wijn is ]yy Yayin (yod-yod-nun). Als er in de Bijbel bij heilige handelingen over wijn
gesproken wordt, dan staat daar altijd ]yy Yayin, en dat is echte gefermenteerde wijn. Ongefermenteerde
druivensap, in het Hebreeuws ,ybni9/ym Mitz-anavim, komen we daarentegen in religieuze handelingen nergens
tegen. De stelling dat er in de Bijbel in de teksten waarin de wijn positief vermeld
wordt, druivensap bedoeld zou zijn, is derhalve niet juist, want zij berust
niet op de waarheid. Noch in het Oude noch in het Nieuwe Testament is er een
alcoholkwestie. Als er over wijn gesproken werd, had deze vanzelfsprekend
altijd alcohol. Natuurlijk waren er sinds Bijbelse tijden altijd ook mensen,
die zich van wijn onthielden wegens afzondering in verband met een gelofte,
maar juist deze onthouding toont wederom aan, dat er normaalgesproken dus wel
wijn gedronken werd, want de wijn is een bijzonder symbool van blijdschap en
van het feest en is om deze reden van grote waarde. Het is namelijk niet de
wijn die in de Bijbel negatief of positief wordt beoordeeld, maar de wijze
waarop we daarmee omgaan!
Wijngenot in het Jodendom
Wij willen
nu ook eens een korte blik werpen op het wijngenot in het Jodendom bij
bijzondere gelegenheden. Wijn speelt bij alle feestelijkheden in het gezin een
grote rol, en dat begint al heel vroeg. Reeds bij zijn besnijdenis op de achtste
dag na zijn geboorte krijgt een jongetje de eerste wijn. De Mohel doopt zijn vinger in wijn
en laat het jongetje de wijn opzuigen, wat door het alcoholgehalte pijnverzachtend
werkt. Ook de barmhartige Samaritaan behandelde de wonden van de beroofde
reiziger met wijn om de wonden te steriliseren, wat men slechts met
alcoholhoudende wijn kan doen en niet met druivensap. Wat goed dat de barmhartige
Samaritaan ook wijn op zijn reis meegenomen had! (Lucas 10:34). Evenzo geeft Sha’ul [Paulus] aan Timotheüs
het advies om wijn als geneesmiddel te drinken: “Drink niet langer alleen maar water; gebruik ook wat wijn, dat is goed
voor je maag en tegen je steeds terugkerende kwalen.” (1 Timotheüs 5:23; Groot
Nieuws Bijbel). Wijngenot was dus ook voor de eerste Messiaanse gelovigen geenszins
verboden. Integendeel! Onder de bijzondere klimaatsomstandigheden in het
Middenoosten, waaronder de mensen lijden, was het al vanouds de gewoonte, dat
de artsen geregeld wijn in kleine hoeveelheden voor alledaags gebruik
voorschreven, want reeds de oude wijzen zeiden: “Wijn staat aan de top van alle geneesmiddelen!” (Babylonische Talmud, tvkrb B’rachot 35b) en “In een plaats waar geen wijn is, wordt naar
geneesmiddelen gevraagd!” (Babylonische Talmud, artb abb Bava Batra 58b). Er staan
heel wat spreuken en gezegdes over de wijn in de oude Joodse literatuur,
waarvan sommigen ons ook vanuit de TeNaCH bekend zijn: “De wijn
verheugt des mensen hart!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 104:15); „Wijn
brengt vreugde in het leven!“ (tlhq Qohelet [Prediker] 10:19);
“Geeft bedwelmende drank aan wie te
gronde gaat, en wijn aan wie bitter bedroefd zijn; opdat hij drinke en zijn
armoede vergete, en aan zijn moeite niet meer denke.” (yl>m Mish’lei [Spreuken] 31:6-7).
Wijn was
ook in de tempeldienst een belangrijk ingrediënt van vele van de offers. Zo
geeft de Tora ons de exacte hoeveelheden wijn
die over de verschillende offers gegoten moest worden. Het is daarom niet
verwonderlijk dat we wijn gebruiken voor haast al onze religieuze
aangelegenheden. Ook voor de heiliging van de Shabat en de Bijbelse
feestdagen wordt tot op heden wijn gebruikt. Van het Wekenfeest, in het Hebreeuws tvivb> Shavuot genoemd, wordt ons in tvlipm
Mifalot [Handelingen] 2:7 meegedeeld,
dat sommige toehoorders spottend van de apostelen zeiden dat ze teveel zoete
wijn gedronken hebben omdat ze plotseling in vreemde talen begonnen te spreken.
Bij het Lotenfeest, ,yrvp
Purim, is het
gebruikelijk om zelfs buitensporig veel te drinken, zoals de Babylonische Talmud zegt: „Het is de plicht des mensen, zich met Purim dermate te bedrinken, dat men niet meer tussen ‘Vervloekt
zij Haman’ en ‘Gezegend
zij Mordechai’
kan onderscheiden.” (hlygm Megila 7b). Men kan deze
rabbijnse inzetting uiteraard letterlijk nemen, en velen doen dat maar al te
graag, toch anderzijds wordt er ook niemand toe gedwongen. Hoe dan ook, Purim is en blijft voor de
vrome Joden een vrolijke dag, die met veel alcoholgebruik wordt gevierd.
Hierover zijn ons talrijke Jiddische anekdotes, moppen, liederen en
spreekwoorden bekend. Ik zal u daar twee voorbeelden van geven: “Moische Kasew hot
sich Purim hibsch ongetrunken, un gehndig aheim spät noch der Sude, is er
zugekummen zu der Stell fun sein Stub, aniedergefalln un eingeschlofn bis
fartog. In der Frih,wenn sein Weib hot geeffnt die Tir, hot sie dersehn, wie er
liegt halb schikerlech. Dos Weib hot ihm ongehoibn sidlen: ‘Nu, un as Purim,
darf men sich asoi ontrinken, as men soll nischt konnen treffn aheim?’ Der Kasew hot sich nischt farloirn un geäntfert: ‘Seh
nor, wos far a massldike Froi du bist! In
Midber hobn die jidische Froien gedarft sein weit hinter die Gezeltn, kedej zu
gefinnen Mann. Un do liegt dir der Mann gleich bei der Tir!” [Moische, de slager, heeft op het Purimfeest aardig
gedronken, en op de terugweg, laat na het feestmaal, komt hij op de plek waar
zijn huisje staat, valt neer en slaapt tot ver in de ochtend. ’s Morgens vroeg,
als zijn vrouw de deur opent, ziet zij hem, zoals hij daar halfdronken ligt. De
vrouw begint hem dadelijk uit te schelden: ‘Wel, al is het Purim, moet men zich dan zo
bedrinken dat men zijn eigen huis niet meer kan vinden?’ De slager laat zich
niet intimideren en antwoordt: ‘Nu zie je eens wat voor een gelukkige vrouw jij
bent! In de woestijn moesten de Joodse vrouwen tot ver achter de tenten gaan om
hun ‘man’ (manna) te vinden. En bij jou ligt de ‘man’ vlak voor de deur!”]. Het tweede voorbeeld is een lied van Mordechai Gebirtig
(1877-1942) met de toepasselijke naam ]yyvv ilizilg a
A Gläsele Wein. De tekst luidt als volgt: „Trink Bruder, trink ois, dos Gläsl, bis zum Grund. Westu
weren frisch un munter, frejlech un gesund. Oi, Briderle, lechaim! Trink a
bissel Wein, dos fartreibt di Mores Choire, jede Sorg un Pein! Itzt Bruder trink ich, un wos fehlt mir asind? Ich
fihl
De bruiloft te Kana
Het drinken van koschere
wijn vormt al sinds Bijbelse tijden een integraal onderdeel van de liturgie
voor de Shabat en de feestdagen en uiteraard
heeft ook Yeshua bij deze en andere speciale
gelegenheden wijn gedronken. De wijn is natuurlijk ook bij de Joodse bruiloft
niet weg te denken en er staat nergens geschreven dat Hij aan vrolijk feestvierende
wijndrinkende mensen aanstoot genomen zou hebben. Dat het drinken van de wijn
niet slechts beperkt blijft tot het bruidspaar, blijkt overigens uit het
verslag van de bruiloft te Kana in ]nxvy
Yochanan [Johannes] 2:1-11, waarin Yeshua zes
vaten water veranderde in wijn, toen deze begon op te raken. Niet in
druivensap, maar in wijn, want de ceremoniemeester zei berispend: “Iedereen schenkt eerst de beste wijn, en
wanneer de gasten dronken zijn, de minder goede. Maar u hebt de beste wijn voor
het laatst bewaard!” (vers 10). Van druivensap had niemand dronken kunnen
zijn, dus was hier toch wel sprake van echte wijn! Wat velen bij het lezen van
dit verhaal niet echt logisch vinden, is het feit dat Yeshua
water in wijn veranderde en niet andersom. Zoals ik in deze studie reeds
meerdere malen aanhaalde zijn er immers talrijke kerken die het drinken van
alcohol als iets zondigs zien en derhalve afkeuren en verbieden. Zij gebruiken daarom
voor het avondmaal geen wijn, maar druivensap. Dat G’ds Zoon Yeshua gedurende Zijn aardse leven daarentegen zelf
wél wijn dronk en dan ook nog vermenigvuldigde past eigenlijk helemaal niet in
het beeld dat zij van hun Heiland hebben en is dus rechtstreeks in strijd met
hun geloofsopvattingen. Het spijt mij heel erg voor deze broeders en zusters,
maar in het bovenstaande verhaal was het toch echt wel wijn en geen druivensap!
En niet zo een beetje ook! Heeft u er eigenlijk ooit bij stil gestaan welke
enorme hoeveelheden wijn daar op die bruiloft gedronken werden? In vers 3 lezen
wij dat er een gebrek aan wijn kwam, en dat wil wat zeggen als men weet dat
Joden op een bruiloft daar zeker niet zuinig mee omgingen. Normaal gesproken
zorgde men ervoor dat er voldoende voorraad aan wijn en eten aanwezig was, maar
als Miryam [Maria], de moeder van Yeshua, in vers 3 zegt: “Ze hebben geen wijn”,
dan moeten de bruiloftsgasten echt wel diep in het glas gekeken hebben. Volgens
de thans heersende christelijke opvattingen over alcohol zou het dus voor de
hand hebben gelegen dat Yeshua gezegd zou
hebben: “Jullie hebben genoeg gehad, dames en heren. Het zou beter zijn als
jullie nu overstappen op sap of water.” Maar dat deed Hij niet! Integendeel!
Hij zorgde ervoor dat er een nieuwe voorraad wijn bij kwam zodat ze verder
konden doordrinken. Onvoorstelbaar, maar waar! Yeshua
deed dus iets wat de meeste christelijke voorgangers van nu niet zouden doen:
feestvierders voorzien van bedwelmende drank! En toch is dit niet in strijd met
de Tora. Sterker nog, Zijn handelwijze is juist
volledig in overeenstemming met de Tora, want
er staat geschreven, dat de Israëlieten één keer in het jaar zelfs hun tienden
die eigenlijk voor de Eeuwige bedoeld zijn, mochten besteden aan bedwelmende
drank en eten om uitbundig feest te vieren: “Gij
zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust hebt, voor runderen of
kleinvee, voor wijn of bedwelmende drank, of wat gij ook wenst, en gij
zult daar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, eten en u verheugen, gij met uw huisgezin!”
(,yrbd D’varim [Deuteronomium] 14:26).
Begrijp mij goed! Deze Bijbelstudie is niet bedoeld om het onbeperkte drinken van alcohol
aan te moedigen of goed te praten, want dan zou ik weer te veel naar de andere
kant doorslaan! We moeten er altijd voor zorgen in balans te blijven, dus ook
in deze kwestie. Het drinken van wijn in zijn geheel te verbieden gaat in tegen
G’ds woord en Zijn wil! Dat blijkt duidelijk uit de geciteerde Bijbelteksten.
Maar dat wil ook weer niet zeggen dat we ons helemaal mogen laten gaan en er
maar op los zuipen! Ook daar is de Bijbel heel duidelijk over, want er staat
geschreven: “Dronkaards zullen het Koninkrijk G’ds niet beërven!” (1 Korinthiërs
6:10-11). Sterker nog: “Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan
met iemand, die, al heet hij een broeder, een… dronkaard is; met zo iemand moet
gij zelfs niet samen eten.” (1 Korinthiërs 5:11). Want: “Het is
duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: …dronkenschap, brasserijen en
dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie
dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk G’ds niet zullen beërven!”
(Galaten 5:19 en 21). Daarom: “Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar
wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen!” (Romeinen 13:13). Dus: “Bedrinkt
u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is!” (Efeziërs 5:18). Wij mogen dus
wel drinken, maar ons niet bedrinken!
Daar zit dus nogal een heel groot verschil tussen. Wij als gelovigen hebben een
voorbeeldfunctie en ik denk dat we ons daar steeds van bewust moeten zijn. G’d
heeft het genot van alcohol dus nooit verboden, behalve in specifieke gevallen
zoals voor nazireeërs en dienstdoende priesters, maar verder mochten de
Israëlieten heus wel wijn drinken als zij iets te vieren hadden en dat was op
deze bruiloft zeer zeker het geval. Yeshua was
hierbij derhalve geen spelbreker, maar fungeerde juist geheel in de letterlijke
betekenis van Zijn naam als de Redder in de nood! Het wonder bestond in het
veranderen van reinigingswater in koschere
wijn; de substantie van water verkreeg een nieuwe vorm, met alle eigenschappen
en kenmerken van een excellente wijn. Hierdoor heeft Yeshua
zich betoond als Heer over de natuur. Hij is de Schepper van “de wijn die het hart des mensen verheugt!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 104:15). Daarom wil ik deze Bijbelstudie
afsluiten met een spreuk uit het boek der wijsheid van Jezus Sirach, waarin
eigenlijk alles samengevat is: “Wijn is leven voor een mens als je hem met
mate drinkt. Wat is het leven zonder wijn? Wijn werd al in het begin gegeven om
vreugde te schenken.” (aryc tmkvx Choch’mat Sira [Wijsheid van Sirach] 31:27). - ,yyxl
L’chayim! [Op het
leven!]
Werner Stauder